Asal Oesoel

De Indische Navorscher Online

Categorie: Tempo Doeloe (Pagina 2 van 12)

De Klatense moordzaak

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

‘Naar de centrale gevangenis te Semarang werden gevankelijk overgebragt twee Europeanen B. en D. genaamd. De eerste zoude zich aan vagebondage en opligterij op de Sekatèn en Tjoijoedan hebben schuldig gemaakt, terwijl de tweede – naar ons werd medegedeeld – beschuldigd is van kindermoord.’

Zo maar een berichtje in De Locomotief en het Soerabaiasch-Handelsblad, beide van 29 januari 1883, dat hoewel klein van omvang door de beschuldiging van kindermoord groot nieuws was. De zaak van Europeaan D. zou dan ook uitgroeien tot de geruchtmakende ‘Klatensche moordzaak’ die de gemoederen gedurende een jaar behoorlijk bezig hield en uiteindelijk een vonnis opleverde dat ‘nog al sensatie’ veroorzaakte.

In De Locomotief van 25 augustus 1883 werd het publiek onder de kop Kindermoord nader geïnformeerd. De kern van het verhaal was als volgt: ‘In het Solosche woonde op een land een gehuwd paar. De schoonzuster van den heer des huizes kwam nogal dikwijls haar zuster bezoeken en onaangenaame huwelijksomstandigheden waren oorzaak dat zij soms weken lang in de woning van haar zwager bleef logeren. Op zekeren dag werd zij moeder en nu wordt haar zwager beschuldigd dat kind onmiddelijk na de geboorte gewurgd en vervolgens begraven te hebben.’

Op 21 december 1883 berichte De Locomotief haar lezers dat deze zaak de vorige dag door de Raad van Justitie [te Semarang] achter gesloten deuren was behandeld. De beklaagde werd nu met naam en toenaam genoemd (over privacy maakte men zich destijds nog geen zorgen). Hij heette Ferdinandus Deuning en was, zo berichtte de krant, door het Openbaar Ministerie officieel in staat van beschuldiging gesteld. Hij zou in de avond van 23 augustus 1882 het kindje van zijn ongehuwde schoonzuster Dientje van der Heijde direct na de geboorte ‘door wurging moedwillig … hebben gedood en vervolgens het lijkje in een doek gewikkeld, door zijn staljongen Kahidjojo bij den pagger van zijn erf … hebben doen begraven.’ Vandaar zou het lijkje later naar een ‘meer verwijderde plek’ zijn overgebracht.

De zaak van het OM rustte in belangrijke mate op de getuigenverklaringen van Nini Soentie, de vroedvrouw, en Mbok Wongsowidjojo (ook Sarinem geheten), kokkin van de familie Deuning en bij de bevalling aanwezig om de vroedvrouw te assisteren (De Locomotief van 31 december 1883). Beide getuigen verklaarden eensluidend dat ‘na den eersten schreeuw dien het kind gaf de heer Deuning op het kind toeschoot, het zijn hand op den mond legde en het met de andere hand wurgde, waarna Nini Soentie een oude, tot bleek toe verschoten kain van mejuffrouw Dientje over het kind wierp …’. Mbok Wongsowidjojo legde haar verklaring pas na grote aarzeling af uit angst voor de heer Deuning die haar zou hebben verboden iets van het voorgevallene aan anderen te vertellen. Dientje van der Heijde zou daaraan hebben toegevoegd dat zij ‘in den ketting’ zou gaan (gevangen zou worden gezet, RdN) als zij niet zou zwijgen. Bovendien zou Mbok Wongsowidjojo in het vooruitzicht zijn gesteld dat Dientje haar ‘in de kleêren [zal] steken’, zodra zij (Dientje) getrouwd was. Ook Nini Soentie zweeg aanvankelijk. Dit op aanraden van de door haar in vertrouwen genomen panewoe (een inheems ambtenaar in dienst van de Midden-Javaanse vorsten) van Djenon (een district in de assistent-residentie Klaten), die haar waarschuwde dat zij door te praten in ‘moeilijkheden’ zou komen.

De beklaagde ontkende, daarin gesteund door zijn vrouw, Charlotte van der Heijde, en zijn schoonzuster Dientje van der Heijde, dat er op het bewuste tijdstip in zijn woning een bevalling had plaatsgevonden en stelde dat zijn vrouw die avond een ‘fausse couche’ had. Bovendien overlegde hij een kwitantie, waaruit moest blijken dat hij op 24 augustus te Solo geld had ontvangen en dus niet bij de bevalling, zo die al had plaatsgehad, aanwezig kon zijn geweest. Laboratoriumonderzoek wees echter uit dat de datum op de kwitantie vervalst was. Zijn schoonzuster Dientje bleek bovendien niet standvastig. Na haar aanvankelijke ontkenning (zij zou op de avond van de 23ste zelfs niet eens te Kaliwingko zijn geweest), verklaarde zij uiteindelijk ‘ dat zoodra het kind geboren was Nini Soenti het in een oude verbleekte sarong … gewikkeld, aan den beklaagde overgaf, die daarop het kind op den grond op een matje legde en het doodde door den strot toe te knijpen en op de hersens te drukken.’ Mbok Wongsowidjojo verliet de kamer omdat zij ‘de mishandeling van het kind niet kon aanzien’ (De Locomotief van 22 februari 1884).

1

2

De Locomotief van 22 februari 1884.

Het eerste onderzoek in deze zaak werd gedaan door de assistent-resident van Klaten. Hij deed dit naar aanleiding van een anoniem schrijven en in zijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie. Via de djaksa vernam hij waar het lijkje was begraven. Inderdaad werden op de aangewezen plaats in een doek gewikkelde overblijfselen van een pasgeboren baby opgegraven. De bij de opgraving aanwezige arts opperde overigens dat het ook om de overblijfselen zou kunnen gaan van een ‘antromophorphen aap’ (lees: antropomorfe aap, ofwel een op een mens lijkende aap, RdN). Vroedvrouw Nini Soentie overleed, toeval of niet, uitgerekend op de dag dat het lijkje gevonden werd. Daarmee verdween een belangrijke getuige à charge van het toneel. Wel was haar eerdere, ten overstaan van de assistent-resident van Klaten afgelegde verklaring door laatstgenoemde op schrift gesteld.

De Locomotief van 22 februari 1884 berichtte ten slotte dat de rechtbank in deze zaak tot vrijspraak had geconcludeerd. Het enige dat volgens de rechtbank uit de getuigenverklaringen was komen vast te staan, was dat ‘de beklaagde het kind van Dientje van der Heyde kort na zijn geboorte en nadat het geschreeuwd had op gewelddadige wijze bij den hals heeft gegrepen en dat onderhuidsche bloeduitstorting daarvan het gevolg is geweest’. Niet wettig en overtuigend was bewezen dat het kind nog leefde toen het ‘geweld op hetzelve gepleegd werd’ en dat er een causaal verband bestond tussen de gewelddadige handeling en de dood van het kind. Twee voor de rechtbank belangrijke factoren waren het ontbreken van het lichaam van het kind en de afwezigheid van vroedvrouw Nini Soentie. De rechtbank kon daardoor niet vaststellen hoe aannemelijk de getuigenverklaringen waren. Bovendien kon Nini Soentie niet nader worden gehoord. In het oordeel van de rechtbank woog verder mee het medische feit dat levend geboren kinderen in sommige gevallen enkele ogenblikken na hun geboorte als gevolg van ‘organische gebreken’ plotseling overleden. Het kindje dat maar enkele ogenblikken leefde, was overigens een meisje.

De Klatense moordzaak was juridisch gezien dusdanig exemplarisch dat zij slechts enkele jaren later al tot in het kleinste detail werd beschreven in een rechtskundig handboek, getiteld De Nederlandsch-Indische strafvordering voor Europeanen en met hen gelijkgestelden (Leiden 1886) en samengesteld door Mr. Jacobus Lion. Hierdoor weten we bijvoorbeeld dat Charlotte en Dientje van der Heijde uitgebreid medisch werden onderzocht, waarbij de resultaten eveneens tot in detail werden beschreven. Met betrekking tot Dientje was volgens de artsen duidelijk aangetoond dat zij kort geleden was bevallen, aangezien er zich rond de baarmoedermond littekens bevonden en de areola om haar tepels zeer sterk gepigmenteerd waren. Bovendien heeft er een ‘verscheuring van de bilnaad plaatsgehad’, wat op een bijna voldragen vrucht zou wijzen (pagina 169, rechter kolom). Bij mevrouw Deuning werd een rond, bewegelijk gezwel in de buik en een gezwollen baarmoedermond geconstateerd. Zij was, zo luidde de conclusie, ten minste vier maanden zwanger en kon op 23 augustus onmogelijk een miskraam hebben gehad (pagina 170, linker en rechter kolom).

Ook in deze publicatie was privacy dus nog geen item, aangezien alle dramatis personae met naam en toenam staan vermeld. Wie googled met de zoektermen Deuning en Heijde komt dit werk op internet vanzelf tegen. Vanuit genealogisch oogpunt bezien, is de publicatie van mr. Lion een geschenk, aangezien daarin diverse familierelaties werden genoemd. Zo bleken mevrouw Deuning en haar zuster dochters te zijn van Barend Frederik van der Heijde. Hun vader leefde samen met een huishoudster (mogelijk dus de moeder van de beide zusters). Bovendien hadden zij een broer Louis Frederik en een zuster Christine. Verder worden twee broers van Ferdinandus Deuning genoemd, Frans Frederik en Casper Frederik Deuning, alsmede de huishoudster van eerstgenoemde, genaamd Oerip, bijgenaamd Njai Deuning. Een aardig inkijkje in het familieleven werd geboden door de vermelding dat Ferdinandus Deuning, de beklaagde dus, op zijn vrouw, schoonzuster, schoonvader Barend Frederik van der Heijde en diens njai een ‘zedelijk overwicht’ uitoefende en dat zij hem allen vreesden. Charlotte (mevrouw Deuning) en Dientje van der Heijde waren overigens familie van mijn betbetovergrootmoeder Johanna Philippina van der Heijde (1817-1915).

Er leek destijds geen enkele twijfel over te bestaan dat de tot in al haar gruwelijke details geschetste gebeurtenis daadwerkelijk had plaatsgehad. Degenen die het proces op de voet volgden, zullen dan ook geschokt hebben gereageerd toen de rechtbank tot de slotsom kwam dat er te weinig bewijs was om verdachte te veroordelen en tot kindermoordenaar te bestempelen. En ook nu nog bekruipt je na lezing van de gedetailleerde aanklacht het akelige gevoel dat daarmee het kwaad de winnaar was. De rechter heeft echter gesproken en eigenlijk resteert slechts de vraag of en in hoeverre deze afschuwelijke gebeurtenis in het collectieve geheugen van verdachtes nakomelingen, zo die er nog zijn, is blijven hangen. Wie weet, zullen we dit ooit nog eens weten.

Klik hier voor genealogische fragmenten en aantekeningen betreffende de familie Deuning. Opvallend bij deze familie is het grote aantal erkende kinderen dat zij telt. Aanvullingen zijn overigens van harte welkom.

Door: Roel de Neve

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

Vincent van Gogh in Nederlandsch-Indië

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

In het Bataviaasch Nieuwsblad van 29 november 1910 stuitte ik op een krantenbericht, dat als volgt opende: ‘V.W. van Gogh. – Men schrijft ons uit Nederland dat op den 19en October te Apeldoorn is overleden de heer V.W. van Gogh, laatstelijk erfpachter in het Soekaboemische, oud-secretaris der Soekaboemische Landbouwvereeniging, en eenige maanden geleden tot herstel van gezondheid naar Nederland vertrokken.’

De voorletters V.W. en de naam Van Gogh deden mij direct denken aan de schilder Vincent van Gogh, wiens tweede voornaam Willem luidde. Hij stierf op 29 juli 1890, vandaag dus exact 125 jaar geleden. Zijn 126ste sterfdag was aanleiding 2015 uit te roepen tot Van Goghjaar en wordt overal ter wereld op grootse wijze herdacht. De genealogische wereld is daarbij tot nu toe afwezig. Landelijke tijdschriften als Gens Nostra, Gen en De Nederlandsche Leeuw lieten Vincent van Gogh vooralsnog aan zich voorbijgaan. Toch zijn er wel enkele genealogische/familiehistorische aanknopingspunten. Denk bijvoorbeeld aan Van Goghs vermeende vaderschap over de zoon van zijn kortstondige geliefde Sien Hoornik of de personen die op zijn schilderijen en tekeningen voorkomen. Je vraag je soms af wie dat waren en in wat voor omstandigheden zij leefden en … of onder hen misschien een van je eigen voorouders voor komt. Daarnaast is de familie Van Gogh zelf interessant genoeg om onderwerp van een artikel te zijn. Overigens zal Van Gogh in de nog te verschijnen jaargang 2015 van De Indische Navorscher eveneens buiten beeld blijven, aangezien dit jaarboek zoals bekend specifiek op Nederlandsch-Indië is gericht.

Vincent van Gogh werd op 30 maart 1853 geboren als zoon van Ds. Theodorus van Gogh en Anna Cornelia Carbentus. Bij zijn doop kreeg hij de namen Vincent Willem mee, naar zijn grootvaders Vincent van Gogh en Willem Carbentus. Maar hoe zit het nu met de V.W. van Gogh die in 1910 overleed? Het overlijdensbericht van deze ‘Indische’ Vincent van Gogh vinden we in het Algemeen Handelsblad van 22 oktober 1910. Blijkens de genealogie Van Gogh in Nederland’s Patriciaat (1964) werd hij eveneens vernoemd naar zijn grootvaders, in zijn geval Vincent van Gogh, bovengenoemd, en Wilhelmus Abraham Bruyns. Hij was dus een volle neef van de schilder Van Gogh. De vaders van de schilder Vincent van Gogh en de Indische Vincent van Gogh (hierna Vincent W. van Gogh), respectievelijk Theodorus en Johannes van Gogh, waren broers. Theodorus, de jongste, werd net als zijn vader dominee. Johannes, de oudste, koos voor de marine en bracht het tot vice-admiraal.

Overlijdensbericht van V.W. van Gogh in het Algemeen Handelsblad van 22 okt. 1910.

Overlijdensbericht van V.W. van Gogh in het Algemeen Handelsblad van 22 okt. 1910.

De vraag is hoe Vincent W. van Gogh in Nederlandsch-Indië terecht is gekomen. Het antwoord is natuurlijk voor de hand liggend: aan boord van een schip. In zijn geval als scheepsklerk op een schip van de Koninklijke Marine. Zijn aanstelling als scheepsklerk was ingegaan op 1 september 1867. Op 16 sept. d.a.v. werd hij geplaatst op Zr. Ms. schroefstoomschip “Curaçao”. Dit schip maakte deel uit van een eskader dat naar de Oost werd gestuurd. Aldaar op 26 dec. 1867 aangekomen, maakte Van Gogh van 29 maart 1868 tot 1 februari 1869 een reis naar Japan. Na terugkomst in Nederlandsch-Indië werd hij achtereenvolgens geplaatst op de wachtschepen “Batavia”, “Makasser” en opnieuw “Batavia”. Daarna werd hem op zijn verzoek met ingang van 28 febr. 1871 eervol ontslag uit de zeedienst verleend. Tegelijkertijd meldde hij zich aan bij het Oost-Indisch leger. Hij ‘solliciteerde’ daarmee naar een officiersbenoeming (in zijn stamboek staat letterlijk ‘dingende naar de rang van officier’). In afwachting daarvan werd hij aangesteld als sergeant bij het subsistentenkader te Batavia. Bij gouvernementsbesluit van 15 mei 1872 volgde zijn bevordering tot tweede luitenant-kwartiermeester. In die hoedanigheid deed hij achtereenvolgens dienst op Celebes, bij het algemeen, tevens afdelings militair kledingmagazijn te Batavia en het tijdelijk hospitaal te Batoe-Toelis, gelegen ten zuiden van Buitenzorg (zie: De Locomotief van 4 juli 1874 en de Java-Bode van 2 sept. 1874). Al snel na deze laatste plaatsing verzocht hij om ontslag uit de militaire dienst, dat hem vervolgens bij gouvernementsbesluit van 29 dec. 1874, nr. 27 eervol werd verleend.

Waarom hij de zeedienst en later ook het Oost-Indisch leger verliet, weten we niet. Wel is bekend dat hij te Tjiandjoer in de residentie Preanger Regentschappen op 25 juli 1877 trouwde met Maria Christina Elisabeth Musch. Zijn vrouw was een ‘Indische’, geboren in Meester Cornelis op 3 september 1858. Haar ouders, Otto Hendrikus Musch en Leonardina Christina Weber, waren te Buitenzorg op 24 sept. 1856 getrouwd.

Huwelijksbericht van V.W. van Gogh en M.E.C. Musch in de Java-Bode van 26 juli 1877.

Huwelijksbericht van V.W. van Gogh en M.E.C. Musch in de Java-Bode van 26 juli 1877.

Otto Hendrikus Musch, geboren Amsterdammer, diende als infanterieofficier in het Oostindisch Leger, laatstelijk in de rang van kapitein. In 1865 ging hij onder toekenning van de titulaire rang van majoor met pensioen. Leonardina Christina Weber was eveneens op Java geboren, om precies te zijn te Buitenzorg op 9 april 1836. Zij was vermoedelijk een dochter van de uit Den Haag afkomstige Leonardus Weber (zie voor hem: De Indische Navorscher (2002), pag. 41). De inwonerslijsten van West-Java (Bantam, Batavia, Buitenzorg, Krawang, Preanger Regentschappen en Cheribon) in de Indische almanakken vermelden op de naam Weber/Weeber voor de jaren 1835-1839 alleen een Leonardus Weeber te Batavia (1835-1839) en een L[eonardus] Weber te Buitenzorg (1835-1836). Dit is waarschijnlijk een persoon en dezelfde die als eigenaar (L. Weber) van hotel Prins Hendrik op Goenoeng Saharie (lees: Goenoengsari) in de Javasche Courant van 18 okt. 1837 adverteerde. Hij trouwde te Bandoeng op 29 juli 1869 met de Chinese vrouw Mina. Gezien het tijdstip van dit huwelijk, ging het hier mogelijk om een huwelijk ter wettiging van kinderen. In dit geval zou Mina dus de moeder van mevrouw Musch-Weber kunnen zijn geweest, aangezien over een eventueel eerder huwelijk van Leonardus niets bekend is.

Zeker is dat Maria Christina Elisabeth Musch een ‘dochter van het land’ was en dat Van Gogh via haar werd opgenomen in het typische Indische familieleven. Daarnaast raakte hij door zijn werkkring nauw verweven met het koloniale bestaan. Hij koos namelijk voor de cultures. Anders gezegd: hij ging werken op Europese landbouwondernemingen (cultuurondernemingen) die produceerden ten behoeve van de Nederlandse markt. Zij brachten producten voort als suiker, koffie, thee, tabak en kina. Met het klimmen van de jaren kreeg hij steeds meer verantwoordelijkheid. Zo was hij administrateur van de onderneming Tjiseureuh in de Preanger Regentschappen en daarna van het land Tjiomas in het Buitenzorgse (zie: Bataviaasch Nieuwsblad van 16 okt. 1886). Uiteindelijk bracht hij het tot superintendent over diverse ondernemingen in het Wlingische (residentie Kediri) en Malangsche (residentie Pasoeroean). Eigenaar van die ondernemingen was de Koloniale Bank, in Nederlandsch-Indië vertegenwoordigd door de hoofdagent. Daarnaast was Van Gogh voorzitter van het Nederlandsch-Indisch Landbouw Syndicaat en voorzitter van de Malangsche Vereeniging van Koffieplanters. Op 1 januari 1900 was hij – voor velen onverwacht – superintendent en voorzitter af. Er werd destijds druk gespeculeerd over zijn vertrek uit Malang. Vrijwillig, gedwongen? Er werd ook gefluisterd dat hij in conflict was gekomen met de hoofdagent. Een krantenartikel dat aan zijn vertrek gewijd was, eindigde met de verzuchting: ‘De gezelligheid verliest door het heengaan van den heer Van Gogh veel’.

Na zijn vertrek wachtte hem echter snel een nieuwe betrekking, namelijk die van administrateur van de kinaonderneming Pajoeng. Deze onderneming lag op de noordwestelijke hellingen van de Goenoeng Tjermai in het district Radjagaloe van de afdeling Madjalengka (residentie Cheribon). In die periode was hij tevens secretaris van de Soekaboemische Landbouwvereeniging. Intussen liet zijn gezondheid steeds meer te wensen over. Begin 1910 ging hij dan ook tot herstel daarvan naar Nederland, waar hij zich in Haarlem vestigde. Nederlandsch-Indië zou hij niet meer terug zien.

Naast het vervullen van dienstbetrekkingen was Van Gogh ook ondernemer. Zo verwierf hij 1897 een stuk gouvernementsgrond in erfpacht, genaamd Saninten. De inschrijving van het erfpachtsrecht in de openbare registers vond plaats op 8 maart 1897. Dit perceel lag in het dictrict Pelaboehan van de residentie Soekaboemi. Saninten bracht kina, thee en koffie voort en mat slechts 51 bouws, ongeveer 30-35 hectare (zie: Regeeringsalmanak voor Nederlandsch-Indië 1908. Eerste gedeelte (Batavia z.j.), Bijlage GG, pag. 388-389). Daarmee was Saninten in vergelijking met andere door het Indische gouvernement in erfpacht uitgegeven percelen een klein ‘landje’. Aangezien Saninten expliciet werd genoemd in zijn overlijdensbericht, mag worden aangenomen dat dit land sinds 1897 zijn thuisbasis vormde.

Daarnaast verkreeg Van Gogh erfpachtsrechten op ‘eenige gronden’ in Benkoelen. Die rechten droeg hij in 1899 over aan de N.V. Sumatra Koffiesyndicaat, gevestigd te Soerabaja. In ruil daarvoor kreeg hij de helft van de aandelen (20 aandelen à 600 gulden), plus 7000 gulden in contant geld. Tevens werd hij een van de drie commissarissen (zie: Soerabaiasch-Handelsblad van 3 juni 1899). Eerder – in 1891 – ging hij met J.D. Mijer onder de firma Mijer en Van Gogh een vennootschap voor commissiehandel aan (zie: Bataviaasch Nieuwsblad van 20 juni 1891). Deze firma was onder meer agent in Nederlandsch-Indië voor diverse buitenlandse verzekerings- en scheepvaartmaatschappijen.

In Nederlandsch-Indië was overigens in latere jaren nog een Vincent (V.W.) van Gogh (1886-1949) actief. Hij was een oomzegger van ‘onze’ Van Gogh. Aanvankelijk employé in de cultures, was hij laatstelijk eigenaar-administrateur van de theeonderneming Goenoeng Paok bij Pelaboean (Plaboean) Ratoe ten zuidwesten van Tjibadak (Preanger Regentschappen). Verder was hij op West-Java actief in kleinlandbouwerskring en president van het West-Java Ondersteuningsfonds, dat zich ten doel stelde cultuuremployés te ondersteunen in het geval van ziekte of wanneer zij buiten hun schuld hun betrekking verloren.

Vincent W. van Gogh werd niet de stamvader van een Indische tak van zijn familie. Zijn vrouw en hij kregen ‘slechts’ twee dochters, waarvan de jongste op eenjarige leeftijd stierf. Dit in tegenstelling tot zijn jongere broers Hendrik Jacob Eerligh en Johannes. Zij hadden wel nageslacht dat zich in mannelijke lijn voortzette en in de cultures op Java en Sumatra actief was. Als we het krantenbericht dat aan het begin van dit artikel werd aangehaald, moeten geloven, was Van Gogh een weinig geslaagd, maar veel geplaagd man. Zijn bijna veertig jaar durende bestaan in de cultures was een en al strijd en lijden, zonder dat het hem de welstand opleverde die zoveel andere ‘oud-Indiërs’ in Nederland wel ten deel was gevallen. Van alles heeft hij aangepakt en ‘altijd is het hem mislukt, althans nooit in die mate gelukt dat hij aan een onbezorgden ouden dag kon denken’. Van zijn grote kennis van ‘indische toestanden en zaken’ profiteerden vooral de jongeren die hij onder zijn hoede had en die later meer succes hadden dan hij. Geleidelijk aan was hij geworden tot een ‘oude man, die wel altijd plichten, maar bijna nooit voorrechten of genoegens heeft gekend’. De schrijver van een bericht in de Sumatra Post van 12 november 1910 vatte al die kommer en kwel treffend samen: ‘De heer Van Gogh was een sympathiek persoon, wien het echter in zin leven niet erg is meegeloopen.’

Overige nog niet genoemde bronnen:

  • Stamboek van Vincent Wilhelm van Gogh, Nationaal Archief, Toegang 2.13.04, inventarisnummer 403, fol. 25 (op microfiche te raadplegen in de bronnenzaal van het CBG).
  • De Locomotief van 29 sept. 1899.
  • De Sumatra Post van 12 nov. 1910.
  • Bataviaasch Nieuwsblad van 29 nov. 1910.

Door: Roel de Neve

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

Willy Gobée, een slachtoffer van de bersiap

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

Tussen 1945 en 1949 woedde er een koloniale oorlog in wat eens Nederlandsch-Indië heette en nu de Republik Indonesia is. Nederland wilde Nederlandsch-Indië behouden; aan Indonesische zijde streefde men naar zelfbeschikking. Nederland zag de tegenstanders als extremisten; voor de Indonesiërs was Nederland de koloniale onderdrukker en waren de eigen mensen vrijheidsstrijders.

Ook in een oorlog gelden spelregels (jus in bello). Een daarvan is dat de strijdende partijen zich niet aan personen vergrijpen die niet deelnemen aan de vijandelijkheden, burgers dus. Ernstige schendingen van deze regel worden in het recht aangeduid als oorlogsmisdaden. Zowel aan Nederlandse, als Indonesische zijde zijn er zaken voorgevallen, die juridisch gezien wellicht als oorlogsmisdaad moeten worden bestempeld. Het optreden van Nederlandse militairen bij verschillende gelegenheden wordt in ons land door de een oorlogsmisdaad, door de ander exces genoemd.

Excuses van Nederland aan Indonesië vinden velen wenselijk of zelfs vanzelfsprekend. Over excuses van Indonesië aan Nederland voor wat er tijdens de bersiap is voorgevallen, wordt nauwelijks gesproken. Sommigen menen ook dat Indonesië geen excuses hoeft te maken. De vaak aangevoerde argumenten zijn dat de pemuda’s niet op gezag van de republikeinse regering handelden en de wreedheden op Nederlands grondgebied plaats vonden. In Nederlandse ogen werd de Republik Indonesia met de soevereiniteitsoverdracht immers pas op 27 december 1949 een feit.

Onnodig geweld van Nederlandse militairen tegen burgers wordt – terecht – in de openbaarheid gebracht. De boodschappers zwijgen echter over de wreedheden die tijdens de bersiap aan Indonesische zijde werden begaan. Velen nemen hen dit – terecht – kwalijk. Zo af en toe komt het afschuwelijke drama van toen via een krantenbericht plotseling toch weer dichter bij, al moeten we daarvoor dit keer wel bijna 70 jaar terug in de tijd.

1 Het Dagblad 14 juni 1947 + W. Go bée (vermoord door extremisten

Uit: De Tijd van 14 juni 1947.

Achter W. Gobée schuilt Willy Gobée, geboren te Batavia op 21 nov. 1888. Blijkens het slachtofferregister van de Oorlogsgravenstichting overleed hij te Buitenzorg in de Pledang-gevangenis op 19 okt. 1945. Voor de Japanse inval was hij employé bij de firma G. Wehry & Co. en woonde toen met zijn gezin te Buitenzorg. De Pledang-gevangenis stond aan de Bantammerweg in het westelijk deel van Buitenzorg. De Japanners interneerden in deze gevangenis hogere ambtenaren, politiemensen en anderen. In oktober 1945 was de gevangenis enige tijd in republikeinse handen en werden er Europeanen opgesloten en gemarteld. Op de 21ste van die maand bevrijdden de Gurkha’s de gevangenen. Voor Willy Gobée was het dus te laat. Hij vond op 16 juni 1947 zijn laatste rustplaats op het Nederlandse ereveld Menteng Pulo te Jakarta.

2 W. Gobée

Het aantal slachtoffers van de bersiap kan nog steeds niet met enige mate van exactheid worden bepaald. Een recente berekening noemt een getal van ongeveer 5.500 (3.500 ‘gedocumenteerde doden’ en ongeveer 2.000 vermisten), waarbij er rekening mee mag worden gehouden dat het aantal slachtoffers wellicht meer, maar waarschijnlijk onder 10.000 heeft bedragen.

Wie meer wil weten over de bersiap en het al dan niet eisen van excuses van de Indonesische regering kan bijvoorbeeld gaan naar:

Hieronder volgen genealogische gegevens betreffende Willy Gobée en zijn directe familie.

Gustav[e] Maximilia[a]n Albert Gobée, geb. residentie Padangse Bovenlanden 3 mei 1842 (zn. van August Heinrich Adolph Gobée en Maria Franciska Johanna Blensler), kapitein der militaire administratie O.I.L., overl. Batavia 10 nov. 1910, tr. 1e Semarang 22 aug. 1874 Sophie Eugenie Angelique Busscher, geb. Batavia 7 maart 1855, overl. Batavia 15 mei 1882; tr. 2e Batavia 1 dec. 1894 Tan Hong Nio, overl. Bandoeng 22 nov. 1945 en aldaar herbegraven op het Nederlandse ereveld Pandu.

Uit het eerste huwelijk:

  1. Emile August Adolf Gobée, geb. Ambarawa (Semarang) 17 nov. 1877 (De Locomotief van 22 nov. 1877), overl. Lausanne (Zwits.) 24 mei 1955, tr. Velp 3 febr. 1911 Catharina Francina Sophia Hoppenbrouwers, geb. ’s‑Gravenhage 9 aug. 1884 (BS ’s‑Gravenhage, Geboorteregister 1884, aktenr. 3029)/Amsterdam 9 juni 1883 (persoonskaart), overl. Hilversum 10 febr. 1971, dr. van Franciscus Johannes Antonius Hoppenbrouwers en Catharina Susanna [Adriana] Kaiser. Uit dit huwelijk twee dochters.
  2. Oscar Hugo Gobée, geb. a/b van het s.s. “Overijssel” in het Engelse Kanaal (Het Kanaal) 8 maart 1879 (Het Nieuws van den Dag van 8 jan. 1879), overl. Hilversum 3 sept. 1957, tr. Rheden 10 mei 1916 Maria van Beverwijk, geb. Rheden 4 juni 1892, overl. ….., dr. van Johan van Beverwijk en Barendina Maria Tiel. Uit dit huwelijk twee zoons en een dochter.
  3. Louise Eugenie Angelique Gobée, geb. Batavia 21 juni 1881 (Soerabaiasch-Handelsblad van 29 juni 1881), overl. Zeist 26 sept. 1968, tr. Penang (Strait Settlements) 26 sept. 1918 Frederik Lodewijk Brostowski, geb. Madioen 4 dec. 1873, overl. Zeist 14 aug. 1964, zn. van …..

Uit het tweede huwelijk (kinderen te Batavia in 1894 erkend en door het huwelijk gewettigd):

  1. John Gobée, geb. [plaats onbekend] 8 aug. [jaar onbekend].
  2. Willy, volgt.
  3. Marie Gobée, geb. ….. 5 dec. 1890, overl. Bandoeng 28 nov. 1944 en ald. herbegr. op het Nederlandse ereveld Pandu, tr. 1e Batavia 5 febr. 1914 (door echtsch. ontb.) Carlo Antonio Bazzoni; tr. 2e Bandoeng 1925 H.N.E. Gottschalk.
  4. Clara Gobée, geb. Batavia 4 juni 1893, overl. Rijswijk (ZH) 10 febr. 1993, tr. Magelang 20 jan. 1915 Abraham Johannes Hillen, geb. Utrecht 17 nov. 1890, luitenant-kolonel der infanterie O.I.L., overl. ’s‑Gravenhage 18 nov. 1953, zn. van Abraham Hillen en Sara Johanna Swagers.

Willy Gobée, geb. Batavia 21 nov. 1888, overl. Buitenzorg (Pledang-gevangenis) 19 okt. 1945, tr. Padang 10 mei 1915 Johanna Henriette Bakhoven, geb. Loeboe Sikaping (Padangse Bovenlanden) 28 mei 1897, overl. Rotterdam 9 juli 1972, dr. van Jan Willem Bakhoven en Louise Charlotte Meyer.

Uit dit huwelijk:

  1. Maximiliaan Gobée, geb. Padang 12 juni 1917.
  2. Johan Henri Gobée, geb. Semarang 6 dec. 1918, overl. a/b Hr. Ms. “De Ruyter” 27 febr. 1942 (Slag in de Javazee).
  3. Willy Gustaaf Gobée, geb. Semarang 10 dec. 1919, tr. Batavia 24 juni 1947 W. van Dietz.
  4. Robbert Gobée, geb. Semarang 4 jan. 1929, tr. Rotterdam 11 april 1963 M.W. Schenk.
  5. Martin Gobée, geb. Meester Cornelis 8 jan. 1931, tr. Alblasserdam 9 april 1953 Jkvr. Allegonda Maria de Ranitz, geb. Amsterdam 23 okt. 1931, overl. Rotterdam 12 okt. 2001, dr. van Jhr. Mr. Sebastiaan Mattheus Sigismund de Ranitz en Cornelia Catharina Elisabeth Campfens.

Door: Roel de Neve.

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

Pagina 2 of 12

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén