> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <

 

Soms kom je een naam tegen die meteen herinneringen los maakt. Voor mij is Beets zo’n naam. Die doet mij namelijk direct denken aan de Camera Obscura, in de jaren zestig van de vorige eeuw en wellicht ook daarna nog verplichte literatuur op de middelbare school. Deze verhalenbundel was geschreven door Hildebrand, het pseudoniem voor Nicolaas Beets. Voluit Prof. dr. Nicolaas Beets (Haarlem 1814-Utrecht 1903), Nederlands-hervormd predikant, hoogleraar godgeleerdheid te Utrecht en beroemd dichter en schrijver. Zijn familienaam kwam ik in eerste instantie tegen in onderstaande twee krantenberichten.

Bataviaasch Nieuwsblad van 22-08-1899

Bataviaasch Nieuwsblad van 22 augustus 1899.

De Locomotief van 12 jan. 1899

De Locomotief van 12 januari 1899.

Uit beide berichten wordt duidelijk dat D. Beets zich tevreden moest stellen met een relatief bescheiden positie op de maatschappelijk ladder en dat zijn moeder een Chinese was. Dit contrasteert nogal met andere naamdragers Beets in Nederlandsch-Indië, zoals Mr. Dirk Beets (1842-1916), president van de weeskamer te Batavia en zoon van Nicolaas Beets (Hildebrand) en een Jonkvrouwe van Foreest; Jacob Beets, majoor der infanterie O.I.L.; en Martinus Nicolaas Beets (1853-1927), majoor-magazijnmeester-tit. O.I.L. en daarna lid van de firma Waltman & Co. Ook latere naamdragers Beets in Nederlandsch-Indië deden het maatschappelijk gezien bovengemiddeld. Dat gold trouwens ook voor de familie in Nederland. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de familie Beets is opgenomen in Nederland’s Patriciaat (jaargang 50, 1964), het prestigieuze ‘blauwe boekje’.

Het bovenstaande deed mij afvragen of ook D. Beets tot de familie van Hildebrand behoorde. Bestudering van de genealogie Beets in Nederland’s Patriciaat leidde al snel tot de conclusie dat dit niet het geval was. Althans een D. (Daniel, David, Dirk, Derk, Diederik, Douwe) Beets komt met uitzondering van Dirk Beets niet in die genealogie voor. De Dirken Beets die in de genealogie voorkomen, zijn echter duidelijk andere personen dan de D. Beets in de advertenties.

Verder zoekend in de opgaven van de burgerlijke stand in de Naamlijst der Europesche inwoners van Nederlandsch-Indië kwam ik de geboorteaangiften tegen van drie kinderen, allen erkend te Batavia, de eerste twee vermoedelijk in 1865, het derde in 1866 (zie: Naamlijst 1867), te weten Geertruida Maria Anna Beets, geboren op 10 augustus 1863; Pieter Beets, geboren op 9 oktober 1864; en David Beets, geboren op 21 januari 1866. De geboorteaangifte en erkenning van Pieter Beets werd overigens ook vermeld in de Naamlijst 1866. Dit kind overleed op 10 november 1873 (ingeschreven te Batavia).

Door mij wordt aangenomen dat David Beets de D. Beets is die in bovenstaande krantenberichten werd genoemd en dat hij dus uit een Chinese vrouw werd geboren. Geertruida Maria Anna Beets (ex matre de inlandse vrouw Sidama en erkend door Pieter Beets) trouwde te Batavia op 23 juni 1888 met Victor de Tijssonsk, die als tekenaar 1e klasse bij de Topographische Dienst met pensioen zou gaan. Victor de Tijssonsk was geboren te Krakau in Polen op 24 december 1839 en zoon van Joseph de Tijssonsk en Josephine de Nag. Zie: P.C. Bloys van Treslong Prins, ‘De Indo-Europeesche families in Nederlandsch-Indië’, Ons Nageslacht. Orgaan van de Eugenetische Vereeniging in Nederlandsch-Indië 8 (1935, nr. 3) 87 (lemma De Tyssonsk).

De erkenner van bovengenoemde kinderen, Pieter Beets, was zonder twijfel de P. Beets te Soerabaja die in De Oostpost van 17 september 1857 kennis gaf van het overlijden van zijn vader David Beets in Gelderland op 15 juli 1857. David Beets overleed te Ede op 15 juli 1857, 87 jaar oud, en was een zoon van Pieter Beets (senior) en Rebekka van Heijst en echtgenoot van Regina Magdalena Mensinga (gevonden via wiewaswie). David Beets (geboren 1863) was dus zijn gelijknamige kleinzoon.

Pieter Beets (junior) kreeg begin 1839 als eerste klerk bij de ‘thans gesupprimeerde’ (supprimeren is opheffen) secretarie van de Raad van Nederlandsch-Indië eervol ontslag uit ’s‑lands dienst (Javasche Courant van 19 januari 1839). Hij komt daarna in de Indische almanakken veelvuldig voor. Eerst op de inwonerslijsten van Batavia (1840-1844), Soerabaja (1845-1846), Padang (1847), Soerabaja (1848-1850) en Batavia (1851-). Te Batavia deed hij dienst bij de schutterij als sergeant -1840, tweede luitenant (bevorderd 1840; Javasche Courant van 8 aug. 1840) en eerste luitenant (bevorderd 1843; Javasche Courant van 29 nov. 1843). Te Soerabaja vinden we hem als agent van de Factorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij (1851-1859) en commissaris bij het agentschap aldaar van de Javasche Bank (1852-1859). Te Soerabaja was hij tevens majoor-commandant van de schutterij (1852-1856) (eervol ontslagen in 1856; Java-Bode van 16 febr. 1856). Daarna treffen we hem weer te Batavia, als lid van de Factorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij (1860-) (benoemd in 1858; De Oostpost van 21 okt. 1858), directielid van de Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid (1860-) en een van de directeuren van het Parapattan wezengesticht (1861-).* Hij was tevens gewoon lid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (benoemd in 1860; Java-Bode van 3 november 1860).

Als directeur van het Parapattan wezengesticht werd Pieter Beets in 1864 herkozen (Bataviaasch Handelsblad van 22 okt. 1864). Die functie legde hij in 1866 neer wegens vertrek naar Nederland (Java-Bode van 29 dec. 1866). Bovengenoemde kinderen werden dus voor zijn vertrek naar Nederland erkend. Hij vertrok naar patria met achterlating van deze kinderen, in die tijd niet ongebruikelijk. Wel vraag ik mij af of hij ook hun verwekker was en of hij niet gewoon drie weeskinderen uit het Parapattan wezengesticht heeft erkend. Dit om hen als Europeaan een betere uitgangspositie in het leven te verschaffen. Hij kon zonder probleem kinderen erkennen, aangezien hij (bij mijn weten) ongehuwd was. Na terugkeer in Nederland leefde hij nog slechts kort, aangezien hij te Amsterdam op 29 april 1868 plotseling overleed. Het afscheid van zijn erkende kinderen en Nederlandsch-Indië bleek achteraf dus een definitief vaarwel te zijn. Overigens kan hij daarmee dus ook niet de P. Beets zijn die te Patti in de residentie Japara op 16 maart 1881 overleed.

Nieuwe Rotterdamsche Courant van 3 mei 1868

Nieuwe Rotterdamsche Courant van 3 mei 1868.

Over zoon David is verder weinig bekend. Een eventueel huwelijk en zijn overlijden werden in de opgaven van de burgerlijke stand niet aangetroffen. Hij komt in de adresboeken van Nederlandsch-Indië voor als gegageerd kanonnier, zonder vermelding van een echtgenote. Hij leefde dus waarschijnlijk alleen of samen met een inlandse huishoudster. Zijn laatste vermelding is in het adresboek voor 1921-1922. Hij woonde toen te Tjiandjoer (Preanger Regentschappen). David Beets is dus mogelijk omstreeks 1920 overleden.

Het is erg verleidelijk in hem de vader te vermoeden van P. Beets, die commies-stationschef was bij de Atjeh-Stoomtrammaatschappij (kortweg de Atjehtram) en dat met zijn leven moest bekopen. Op 29 juli 1916 werd hij namelijk door een Atjeher aangevallen en vermoord, terwijl zijn vrouw zwaar werd verwond. In het adresboek voor 1916 staat hij vermeld met echtgenote IJ. Bijlsma. Zij hadden kinderen. Namen zijn mij niet bekend. Voordat hij in dienst trad van de Atjehtram, was hij mogelijk onderofficier, aangezien het personeel van die maatschappij grotendeels werd gerecruteerd uit de kring van onderofficieren die in Atjeh dienst hadden gedaan.

Deze Pieter Beets was echter geen zoon van David Beets, maar van Maarten Beets en Aaltje Sanders. Hij was geboren te Oosthuizen en trouwde 40 jaar oud te Amsterdam op 9 juli 1914 met IJfke Bijlsma, 37 jaar oud en dochter van Jan Bijlsma en Antje de Groot. Als beroep gaf de bruidegom commies bij een tramwegmaatschappij op (wiewaswie).

Bataviaasch Nieuwsblad van 10 aug. 1916

Bataviaasch Nieuwsblad van 10 augustus 1916.

Of David Beets kinderen heeft gehad, erkend of niet erkend, weet ik niet. Het is natuurlijk mogelijk. Zij zullen wellicht in of dicht bij de kampong hebben geleefd, mochten zij er inderdaad zijn geweest en naast een Chinese grootmoeder een inlandse moeder hebben gehad. Het is in dat geval niet zo vreemd te veronderstellen dat hun nakomelingen meer en meer het contact met de Europese maatschappij verloren en geleidelijk in de inheemse bevolking opgingen. Maar nogmaals, dit is een veronderstelling, niet meer dan dat.

* De jaartallen tussen haken verwijzen naar de Indische almanakken voor die jaren.

Door: Roel de Neve

> KLIK OP DE TITEL VAN DIT ARTIKEL OM EEN REACTIE ACHTER TE LATEN OF OM EERDERE REACTIES TE LEZEN <